Als bij het doen van betalingen niet duidelijk door de schuldenaar is aangegeven waar deze voor bedoeld zijn, mag de schuldeiser de betalingen afboeken in eerste instantie op de kosten, vervolgens op de lopende rente, daarna op de reeds verschenen rente (rente van voorgaande jaren) en op de hoofdsom. Daarbij mag dan tenslotte eerst op de oudste openstaande en opeisbare vordering met de laagst geldende rentevoet worden afgeboekt. (art. 6:43 en 44 BW)